Loge Acacia,nr.: 56 te Rotterdam.
Hoe komt de orde aan zijn merkwaardige imago?
Vrijmetselaars zijn “vrije mannen van goede naam”, zoals in artikel 1 van de ordegrondwet is opgenomen. Hieronder wordt verstaan, dat het onafhankelijk denkende mannen zijn en dat ze in de maatschappij waarin zij verkeren een “goede naam” hebben. Daar heeft altijd het probleem gelegen voor totalitaire systemen. Immers aan mannen met een eigen mening, die ook nog aanzien hebben in de omgeving waarin zij werken, hebben de dictators en hun regime altijd hun handen vol gehad. Gemakkelijker was het de organisatie als de Vrijmetselarij dan maar te verbieden. In de eerste eeuwen van haar bestaan gold die houding ook voor vele kerkbestuurders. Zeker in landen waar geen vrijheid van religie bestond was de vrijmetselarij al snel verboden. In die eerste eeuwen gold dat bijna voor alle landen. Voor dictators en kerkbestuurders was het dus best handig om de vrijmetselarij in een kwaad daglicht te stellen. Na de tweede wereldoorlog is in dit denken een duidelijke kentering gekomen. Zo is de katholieke kerk pas in de jaren zestig van de vorige eeuw de vrijmetselarij gaan gedogen. Tot die tijd was de vrijmetselaar in de ban. Zo kon bijvoorbeeld een overleden vrijmetselaar niet op een christelijke/katholieke begraafplaats ter aarde worden besteld. Voor de familieleden was dat meestal zeer kwalijk, temeer daar er veelal geen goede alternatieven waren. Doordat in de laatst decennia de Europese Unie zich versneld verder verenigde, nam de angst voor opvolgers van de dictators in Duitsland, Rusland, Spanje en Italië pas echt af. Maar wederzijds wantrouwen dat zo lang bestaan heeft verdwijnt niet snel. En zo zal dat merkwaardige imago ook langzaam moeten slijten.